|
U
bent hier : Onvrijwillige
buitenbezitstelling
Vernieling en vervalsing
De wet van 1921 geeft aan degene wiens effect
vernield of vervalst werd, de mogelijkheid om van de emittent de
aflevering van een duplicaat of de uitbetaling van het opeisbaar kapitaal
te eisen.
De bepalingen van artikel 31 van de wet, die deze
materie regelen, nemen in feite een onzekerheid weg. Men zou kunnen denken
dat het noodzakelijk is verzet aan te tekenen tegen een vernield effect om
gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid er de vervanging of
terugbetaling van te vragen. Kan de vernieling gelijkgesteld worden met
een verlies ? De wet antwoordt op deze vraag in negatieve zin.
De vernieling van een effect vereist niet dat de
procedure van aantekening van verzet in gang wordt gezet. Het volstaat het
feit van de vernieling te bewijzen. Hetzelfde geldt voor de vervalsing.
Artikel 31 bepaalt inderdaad dat elke rechthebbende
van een vernield effect, mits hij bewijst dat het effect vernield werd,
van de emittent, hetzij de betaling van het vorderbaar geworden kapitaal,
hetzij, op zijn kosten, de aflevering van een effect geldende als
duplicaat of van een effect van dezelfde aard en van dezelfde waarde, kan
eisen.
Hetzelfde recht wordt verleend voor vervalste
effecten. Voordat het duplicaat wordt afgeleverd, wordt het vervalste
effect nietig verklaard of vernietigd.
De rechtbanken kunnen de aflevering van het nieuwe
effect of de betaling van het kapitaal afhankelijk maken van waarborgen
die zij bepalen.
|