NL  | 
Contact | Help       Zoeken:   Search .be

     Koninkrijk België

    Nationaal Kantoor voor Roerende Waarden

 

decorative pictureU bent hier : Onvrijwillige buitenbezitstelling decorative breadcrumb image Bescherming

De wet van 24 juli 1921 op de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder brengt een procedure van verzetbetekening op gang die tot doel heeft de buitenbezitgestelde houder in ruimere mate te beschermen dan dat het geval is ingeval van toepassing van de artikels 2279, tweede lid, en 2280 van het Burgerlijk Wetboek voor wat de lichamelijke roerende goederen in het algemeen betreft.

 

Wat houdt dit stelsel van wettelijke bescherming in en wat zijn de kenmerken ervan ?

1. Het begrip onvrijwillige buitenbezitstelling

Dit begrip wordt in de wet van 1921 veel ruimer opgevat dan in het Burgerlijk Wetboek. Dit laatste spreekt enkel over diefstal of verlies van de zaak, d.w.z. een buitenbezitstelling tegen de wil in van de bezitter of zonder de wil van deze laatste.

De wet van 24 juli 1921 (Eerste deel, artikel 1) dekt elke vorm van onvrijwillige buitenbezitstelling, dus niet alleen in geval van verlies, diefstal of zelfs vernieling van het effect aan toonder, maar eveneens de buitenbezitstelling waarbij er sprake is van een 'vrijwillige' overhandiging van het effect, zoals ingeval van misbruik van vertrouwen of oplichting. 

2. Welke personen zijn beschermd ? 

De wet, die op dit vlak gelijkloopt met het Burgerlijk Wetboek, beschermt elke persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van een onvrijwillige buitenbezitstelling : de eigenaar, de bezitter, de titularis van een zakelijk recht zoals de pandhoudende schuldeiser of de vruchtgebruiker, en zelfs de toevallige houder. 

3. Op welke effecten en coupons is de wet van toepassing ?

Het begrip "effect aan toonder" heeft in de wet van 1921 een beperkte betekenis. Het gaat over effecten van burgerlijke of commerciële vennootschappen en effecten uitgegeven door openbare instanties. Wissels, bankbiljetten, cheques en mandaten, en in het algemeen alle betalingsmiddelen inzake beschikbare fondsen, contant en betaalbaar op zicht, kunnen niet genieten van deze wettelijke bescherming. 

Artikel 2 van de "voorafgaande bepalingen" stelt dat de wet "uitsluitend" betrekking heeft op aandelen en obligaties die voorkomen op de lijst weergegeven in artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 (BS van 4 september 2002) onder de benaming "financieel instrument" en "aanverwant financieel instrument", evenals de coupons ervan, met uitzondering van de coupons van de rechtstreekse en onrechtstreekse openbare schuld van de Federale Overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten.

De coupons van de effecten van de openbare sector kunnen, zoals de wet bepaalt, niet met verzet bezwaard worden, noch het voorwerp uitmaken van terugbetaling door de emittent, wanneer de effecten zonder waarde verklaard worden. Dergelijke coupons zijn in principe verloren voor de verzetbetekenaar. 

4. De stelsels van de wettelijke bescherming

het Burgerlijk Wetboek de wet van 1921 op de ongewilde buitenbezitstelling
Het Burgerlijk Wetboek, d.i. het gemeen recht, is van toepassing op de verhandeling van effecten als die plaatsvindt vóór de publicatie van het verzet in het Bulletin der met verzet aangetekende waarden.

Het Burgerlijk Wetboek voorziet algemene regels inzake verlies of diefstal van een lichamelijk roerende zaak (BW art. 2279, tweede lid en 2280). Deze regels hebben betrekking op elke zaak die fysiek concreet bestaat, zoals bijvoorbeeld een kunstwerk, evenals op effecten aan toonder.

Effecten aan toonder vertegenwoordigen rechten. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het "papieren" effect en het recht dat het vertegenwoordigt. Kunnen ze worden beschouwd als lichamelijke zaken? Een uitgebreide rechtspraak beschouwt in dit verband dat het recht inherent is aan de zaak, waardoor het lichamelijk roerend van aard wordt zoals de zaak zelf. 

De regels van het Burgerlijk Wetboek hebben tot doel het conflict op te lossen tussen de buitenbezitgestelde eigenaar en de huidige bezitter van de zaak via een rechtsgeding tot terugvordering. Ze beschermen de bezitter van de zaak waarvan het bezit als titel geldt (BW art. 2279, eerste lid), op voorwaarde dat deze te goeder trouw is. Daar de goede trouw verondersteld wordt (BW art. 2268), ligt de bewijslast bij de buiten bezit gestelde eigenaar. Indien de bezitter niet te goeder trouw is, m.a.w. indien het bezit ongeldig is, verliest hij de wettelijke bescherming. 

Ingeval van verlies of diefstal, kan de buitenbezitgestelde eigenaar een eis tot terugvordering indienen gedurende drie jaar tegen de bezitter te goeder trouw, te rekenen vanaf de datum van het verlies of de diefstal (BW art. 2279, tweede lid).

Indien de bezitter van de zaak deze evenwel in bepaalde bijzondere omstandigheden gekocht heeft (nl. op een jaarmarkt, een markt, een openbare verkoop, of van een koopman die dergelijke zaken verkoopt), kan de oorspronkelijke eigenaar de zaak slechts terugeisen als hij aan de bezitter de prijs die deze laatste ervoor betaald heeft, terugbetaalt (BW art. 2280). Dergelijke omstandigheden laten immers niet toe dat de bezitter de herkomst van de zaak kent.

Het gemeen recht van de artikels 2279, tweede lid, en 2280 van het Burgerlijk Wetboek betreffende diefstal of verlies van roerende goederen in het algemeen, is van toepassing op effecten aan toonder tussen het moment van de buitenbezitstelling en de dag van de publicatie van het effect in het Bulletin, d.w.z. op verhandelingen van effecten die plaatsvinden tussen het moment van het verlies of de diefstal en de publicatie (art. 16, tweede lid, van de wet van 1921).

De bepalingen van de wet van 1921, welke afwijken van het gemeen recht, worden toegepast vanaf de dag na de bekendmaking van het verzet.

De wet regelt een procedure van verzetbetekening die tot doel heeft te weten te komen wie het effect in handen heeft, de derde houder. Dit gebeurt door de omloop van het effect, d.w.z. de opeenvolgende verhandelingen ervan, stil te leggen, en vervolgens een confrontatie te doen ontstaan tussen de verzetbetekenaar en de derde houder. 

Met welke middelen ?

  • De publicatie van het verzet in een officieel bulletin, het "Bulletin der met verzet aangetekende waarden", geeft er een wettelijke ruchtbaarheid aan. Deze publicatie doet een wettelijk vermoeden ontstaan van kennisname van het verzet. Vanaf dat moment wordt het geacht door iedereen gekend te zijn, net zoals dat het geval is bij de publicatie van een wet in het Belgisch Staatsblad. Dientengevolge, ontstaat er een wettelijk vermoeden van kwade trouw in hoofde van de derde houder die het effect na de publicatie in het Bulletin heeft aangekocht en die dus vanaf dat ogenblik geacht wordt op de hoogte te zijn van de verzetbetekening.
      
  • Hieruit volgt dat elke daad van beschikking aangaande het effect nà deze publicatie aangetast is door kwade trouw en nietig is ten opzichte van de verzetbetekenaar (art. 16, eerste lid). Onmiddellijk na de publicatie van het verzet, heeft de houder een effect in handen zonder dat hij enig recht kan inroepen tegenover degene die het terugvordert. Hij kan tegenover deze laatste geen enkele akte van eigendomsoverdracht laten gelden welke niet aangetast zou zijn door een in de wet bepaalde nietigheid. De wet van 1921 bevoordeelt zo de verzetbetekenaar, d.w.z. de buitenbezitgestelde eigenaar, tegenover de derde houder, die vermoed wordt te kwader trouw te zijn indien hij het effect heeft aangekocht na de publicatie van het verzet.
     
  • De publicatie in het Bulletin verplicht de financiële bemiddelaars de effecten in beslag te nemen en de verzetbetekenaar hiervan op de hoogte te brengen (art.13). 
     
  • De inbeslagname van het effect, zijnde een bewarende maatregel, kan aanleiding geven tot een confrontatie tussen de buitenbezitgestelde eigenaar en de derde houder. Die confrontatie, "tegenspraak" genoemd, heeft tot doel de grond van de zaak te regelen, in der minne of via een rechtszaak. In het tweede geval dient dat te gebeuren door middel van een eis tot terugvordering. 

 

Laatste wijziging : 20-01-2012
Voor meer informatie kan u zich wenden tot :
image telephone +32 (0)257 472 15

©2006 Belgian Federal Government  | Disclaimer |  Privacy